Het AI-Native Engineering Protocol: Een Lossless Overzicht¶
1. Fundamentele Filosofie: AI als Software¶
- Agenten zijn Software: AI-agenten moeten niet worden gezien als "magische wezens", maar als deterministische softwarecomponenten. Ze zijn stateless functies (tokens in, tokens out).
- Geen Antropomorfisme: Behandel een agent als een capabel gereedschap, zoals een vorkheftruck of een spreadsheet, niet als een schepsel met een bewustzijn.
- Eigenaarschap: Ontwikkelaars moeten eigenaar zijn van de control flow, de prompts en de context window van hun agenten.
2. Context Engineering & De Context Window¶
- De Smart Zone vs. De Dumb Zone: Betrouwbaarheid is het hoogst in de eerste 40% van de context window (de "Smart Zone"). Boven de 40% treden verminderde resultaten op en faalt tool-calling vaker (de "Dumb Zone").
- Instruction Budget: Een LLM heeft een realistisch budget van 300 tot 500 instructies voordat de prestaties afnemen.
- Intentional Compaction: Het proces van het actief comprimeren van de huidige context naar een markdown-bestand om een schone sessie te starten en in de "Smart Zone" te blijven.
- Progressive Disclosure: Informatie alleen aan de agent tonen wanneer deze relevant is (sharding van context) om de context window schoon te houden.
3. De RPI-Workflow (Research, Plan, Implement)¶
Een gestructureerde aanpak voor complexe problemen in bestaande codebases. * Research (Compressie van Waarheid): Onderzoek hoe het systeem feitelijk werkt op basis van de code (de enige bron van waarheid), niet op basis van documentatie die kan "liegen". * Plan (Compressie van Intentie): Het opstellen van een expliciet stappenplan inclusief code-snippets en teststrategieën. Dit zorgt voor mentale alignment tussen mens en AI. * Implement (Betrouwbare Executie): De uitvoering van het plan in een schone context om fouten door "noise" te minimaliseren.
4. Agent-Management & Sub-Agenten¶
- De Ontwikkelaar als Manager: De rol verschuift van code schrijven naar het managen van "savvye stagiaires". De kernvaardigheid is context switching tussen agenten.
- Sub-Agenten voor Context Control: Sub-agenten moeten worden gebruikt om context te isoleren, niet om rollen na te bootsen. Een sub-agent voert een "verticale slice" van onderzoek uit en rapporteert een beknopte samenvatting aan de orchestrator.
- Stapsgewijze Opbouw: Voeg agenten pas toe wanneer je vertrouwen hebt in de individuele workflows; begin piece-meal.
5. Bouwen van een Agent-Friendly Codebase¶
- Tests als Contracten: Agenten hebben expliciete contracten nodig om correctheid te verifiëren. Zonder goede test-coverage kan een agent niet betrouwbaar opereren.
- Radicale Consistentie: Gebruik consistente design- en programmapatronen. Ambiguïteit in de codebase verwart agenten (en mensen).
- Lieg tegen de Agent: Gebruik strategische "misleiding" (bijv. "dit is een greenfield project") om de agent weg te sturen van onnodige complexiteit zoals backfilling van data.
6. Skills & MCP-Architectuur¶
- Capability Uplift vs. Encoded Preference:
- Capability Uplift: Maakt de agent inherent beter in een taak (bijv. cinematic frontend design).
- Encoded Preference: Legt specifieke werkmethoden of SOP's vast (bijv. LinkedIn content pipelines).
- Skill Creator 2.0: Maakt gebruik van parallelle agenten voor AB-testing en blinde beoordeling om te verifiëren of een skill daadwerkelijk beter is dan het basismodel.
- MCP Servers: Gebruik MCP's voor het beheren van de "inner loop" en het serialiseren van context naar een database voor pause-and-resume functionaliteit.
7. Deterministiche Feedback & Hooks¶
- Stop met
claude _init: Het automatisch genereren van groteCLAUDE.mdbestanden leidt tot tokensverspilling en verouderde informatie. - Deterministic Hooks: Gebruik bash-scripts in
settings.json(bijv.pre-tool-use) om ongewenste acties te blokkeren.- Exit Code 2: Signaal om een toolcall deterministisch te blokkeren en de agent te hersturen.
- Linting als Steering: Gebruik ESLint-regels om de agent in het juiste spoor te houden zonder instructiebudget te verbruiken.
8. Zelfverbeterende Memory-Systemen¶
Drielagig systeem voor persistentie over sessies heen:
1. Layer 1 (Global): Persoonlijke voorkeuren en rol (max 5-6 regels).
2. Layer 2 (Mission): CLAUDE.md of AGENT.md specifiek voor een map; bevat doel, boomstructuur en regels.
3. Layer 3 (Context/Training): Voorbeelden van "hoe goed eruitziet".
* Note-taking Loop: De agent legt correcties en patronen vast aan het einde van een taak. Bij ≥3 vergelijkbare lessen wordt een nieuw contextbestand aangemaakt.